Fokken op minder staartbijten

Fokken op minder staartbijten

In veel Europese landen is het couperen van staarten inmiddels al verboden of zijn er strenge voorwaarden aan gesteld. Daarnaast zijn er verschillende dierwelzijnsconcepten waarbij het routinematig couperen van staarten niet is toegestaan. Uitdaging voor de varkensproducenten is dat de dieren moeten blijven presteren in deze nieuwe situatie. De wetenschap die zich bezighoudt met deze uitdaging is één van de belangrijke taken van Lisette van der Zande, lid van het Robuustheids- en welzijnsplatvorm van Topigs Norsvin.

Het vinden van de ‘bijters’

“Varkenshouders couperen de staarten van de biggen om staartbijten op latere leeftijd te voorkomen”, legt Lisette uit. “Het economisch verlies als gevolg van staartbijten is significant voor de varkenshouder. Het kan leiden tot meer sterfte, groeivertraging en afkeuringen van het karkas of onderdelen hiervan in de slachterij. Het probleem voor de onderzoekers is dat, hoewel het gemakkelijk is om de slachtoffers van het staartbijten te identificeren aan hun wonden, de dieren die het probleem veroorzaken, de ‘bijters’, veel moeilijker te detecteren zijn. Zonder uitgebreide videobeelden en observaties is het niet mogelijk om te weten welk varken in het hok verantwoordelijk is. Het is daarom een ​​moeilijk kenmerk om genetische selectie op toe te passen.”

Voor haar werk gebruikte Lisette een dataset van commercieel gehouden Topigs 20 x Tempo slachtvarkens. Ze probeerde hierin eigenschappen te het vinden die konden helpen bij het identificeren van varkens die verantwoordelijk zijn voor het bijtende gedrag. “Staartbijten is niet gekoppeld aan agressief gedrag bij varkens. Het is een meer verkennend gedrag en dus waren andere gepubliceerde methoden om de dieren te beoordelen, zoals het scoren van laesies, niet geschikt voor gebruik in ons onderzoek“, legt Lisette uit. “In plaats daarvan kozen we ervoor om ons te concentreren op metabolieten bij varkens.”

Serotonineniveau is een voorspeller

Lisette en haar collega’s, Pramod Mathur, Egbert Knol en Naomi Duijvesteijn, werden aangemoedigd door resultaten die aangeven dat serotoninespiegels een voorspeller kunnen zijn bij dieren die bijtend gedrag vertonen. “Bij mensen zijn we bekend met serotonine als een neurotransmitter die correleert met ons gevoel van geluk”, legt Lisette uit. “Ook zijn serotonineniveaus verbonden met depressie en obsessief gedrag bij mensen en verenpikken, een eveneens destructief gedrag, bij pluimvee.”

“Het bestuderen van het genoom suggereert dat we dieren met lagere serotonineniveaus uit Topigs Norsvin-populaties kunnen selecteren. Dit zal ertoe leiden dat klanten in de toekomst aanzienlijk minder staartbijten zullen zien”, voorspelt Lisette. “In combinatie met verbeteringen in de omgeving, bijvoorbeeld huisvesting en stalklimaat, zal het hopelijk resulteren in de eliminatie van staartbijten.”

Het project verplaatst zich nu naar de nucleuspopulatie in Paradise Valley in Winnipeg (Canada) met geaccumuleerde observaties van 12.000 gespeende biggen. Deze gegevens zullen het team voorzien van voldoende informatie om te kijken naar de impact van zaken als geboortegewicht, geslacht en worpgrootte op schade aan de staart. “Dit zal helpen beter inzicht te krijgen in een eigenschap die van oudsher moeilijk aan te pakken is, maar waarbij nu geprofiteerd kan worden van de nieuwe genetische tools die beschikbaar zijn bij Topigs Norsvin”, volgens Lisette.

Meer nieuws